Deel B – Stoornissen in de vitale functies

* 1. Wat is geen vitale functie?
* 2. Een hersenschudding is een vorm van:
* 3. Waar staan de letters FA:ST voor?

beeldmerk FAST

* 4. Wat moet je als eerstehulpverlener doen bij een slachtoffer met een te laag suikergehalte (hypoglykemie)?
* 5. Wat moet je als eerstehulpverlener doen bij een slachtoffer met een te hoog suikergehalte (hyperglykemie)?
* 6. Wat moet je als eerstehulpverlener doen bij een slachtoffer met een grote epileptische aanval die langer dan vijf minuten aanhoudt?
* 7. Het slachtoffer is misselijk, ziet bleek, zweet en moet geeuwen. Wat kan er aan de hand zijn?
* 8. Wat is er aan de hand bij een bewusteloos slachtoffer?
* 9. Wanneer moet je een slachtoffer dat op zijn buik ligt naar zijn rug draaien?
* 10. Waaruit bestaat het ademhalingsstelsel?
* 11. Hoe wordt voorkomen dat voedsel bij het slikken in de luchtpijp komt?
* 12. Wanneer is de ademhaling niet normaal?
* 13. Waarom kan de ademhaling bij een bewusteloos slachtoffer verstoord raken?

p40 bewusteloos

* 14. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Een slachtoffer van brand heeft meestal verbrande luchtwegen.
Stelling 2: Een slachtoffer met verbrande luchtwegen kun je herkennen aan de volgende symptomen: abnormale ademhaling, verbrande wenkbrauwen, roet in en rond de neus.

* 15. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Een eerstehulpverlener mag een slachtoffer met astma helpen zijn medicijnen in te nemen.
Stelling 2: Een eerstehulpverlener moet professionele hulp inschakelen bij een slachtoffer met astma als het slachtoffer bewusteloos is.

* 16. Het slachtoffer is duizelig, benauwd en voelt zich angstig. Ook kan hij een tintelend gevoel ervaren rond de mond en in de vingers. Wat is er aan de hand?
* 17. Het slachtoffer heeft zich verslikt. Hij moet flink hoesten. Wat doe je als eerste hulpverlener?

p44 verslikking

* 18. Wat is de aorta?
* 19. Waar bestaat het bloed uit?
* 20. Welke drie soorten bloedvaten bevinden zich in het lichaam?
* 21. Als het hart stilstaat wordt het bloed niet meer rondgepompt. Er is dan sprake van
* 22. Een Automatische Externe Defibrillator (AED) is alleen doeltreffend bij:
* 23. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Er kan sprake zijn van een hartprobleem als een slachtoffer pijn op de borst heeft, de pijn uitstraalt naar arm, kaak of rug.
Stelling 2: De ondergrond voor een hartmassage moet altijd hard zijn.

* 24. Welke volgorde van handelen bij een reanimatie is juist als je alleen bent en er een AED in de buurt is?

stap13

* 25. Wanneer roep je om hulp?
* 26. Wanneer mag je de reanimatie beëindigen?
* 27. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Het is niet erg om een elektrode op een nicotinepleister of pacemaker te plakken.
Stelling 2: De elektroden van de AED blijven alleen plakken op een hele droge en schone huid.

* 28. Wat moet je doen bij een slachtoffer met shock?

Winkelmand