Deel C – Letsels

* 1. Wat is het grootste orgaan van ons lichaam?
* 2. Wat is een ontsteking?
* 3. Waarom mag je een wond die door een arts gezien moet worden niet ontsmetten?
* 4. Welke wonden mag je in principe zelf behandelen en hoeven niet door een arts gezien te worden:
5. Wanneer moet je een wond behandelen als een ernstige bloeding? Als…
* 6. Wanneer is er sprake van een actieve bloeding? Als…
* 7. Waarom mag je een vreemd voorwerp bij een actieve bloeding nooit uit de huid verwijderen?
* 8. Waarop moet je letten bij een slachtoffer met een doordringende borstwond waar geen voorwerp uitsteekt?
* 9. Waaraan herken je een tweedegraads brandwond?
* 10. Om in te schatten hoe groot het verbrande lichaamsoppervlak is kun je de regel van 9 toepassen. Hoeveel procent is verbrand als het bovenbeen aan de voorzijde is verbrand?
* 11. Als het huidoppervlak behoorlijk verbrand is, is er kans op shock. Vanaf hoeveel procent is die kans aanwezig?
* 12. Welke brandwonden mag een eerstehulpverlener zelf behandelen?
* 13. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Spoel bij verbranding van het oog minimaal 30 minuten met langzaam stromend, lauwwarm water.
Stelling 2: Zorg dat het aangedane oog lager is dan het goede oog en spoel van de binnen- naar de buitenkant van het oog.

* 14. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Bij een kneuzing kunnen onderhuids weefsel of organen beschadigd raken. De huid blijft intact. Bij een verstuiking worden de banden rondom een gewricht opgerekt.
Stelling 2: Bij een kneuzing of verstuiking mag het slachtoffer op geleide van de pijn doorlopen.

* 15. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Als een gebroken lichaamsdeel wordt bewogen kan er meer schade ontstaan.
Stelling 2: Bij een ontwrichting wordt zoveel kracht uitgeoefend op het gewricht dat het gewricht uit de kom is geschoten.

* 16. Welke greep passen we toe om de nek in de gevonden positie te stabiliseren?
* 17. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Bij een slachtoffer met mogelijk wervelletsel moet altijd de handgreep van Zäch worden toegepast.
Stelling 2: Bij een slachtoffer met een gebroken heup lijkt het aangedane been korter.

* 18. Waaraan herken je een kneuzing?
* 19. Een slachtoffer met oogletsel moet meestal naar professionele hulpverlening. Wanneer hoeft dat niet?
* 20. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Bij hitte-uitputting wordt de bloedvoorziening van spieren, hersenen en huid moeilijk op peil gehouden. Bij hittestuwing kan het lichaam de warmte niet kwijt.
Stelling 2: Hitte-uitputting ontstaat door inspanning van het slachtoffer. Hittestuwing ontstaat door de omgevingstemperatuur.

* 21. Een slachtoffer heeft een hitteberoerte. Wat moet je als eerste hulpverlener doen?
* 22. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Een drenkeling is altijd onderkoeld.
Stelling 2: Het menselijk lichaam verliest veel warmte via het hoofd.

* 23. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Bij temperaturen vanaf min 15 graden Celsius treedt er een beschermingsmechanisme in werking. Belangrijkste lichaamsdelen blijven op temperatuur doordat bloedvaten in ledematen en huid zich vernauwen.
Stelling 2: Door het beschermingsmechanisme bij lage temperaturen is er een kans dat weefsel beschadigd raakt omdat daar te weinig warm bloed doorheen stroomt.

* 24. Waaraan herken je een derdegraads bevriezing?
* 25. Wat is het verschil tussen lichte en ernstige onderkoeling?
* 26. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Bij een onderkoeld slachtoffer ga je zo lang mogelijk door met reanimeren.
Stelling 2: Een ernstig onderkoeld slachtoffer kan een acute hartstilstand krijgen als hij te veel wordt bewogen.

* 27. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Een eerstehulpverlener kan zelf niets aan een vergiftiging doen. Hij moet altijd 1-1-2 bellen.
Stelling 2: Een eerstehulpverlener mag een glas water of melk geven volgens de gifwijzer.

* 28. Een slachtoffer heeft een giftige stof over het lichaam heen gekregen. Wat moet je als eerstehulpverlener doen?
* 29. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Een slachtoffer met elektriciteitsletsel kan nog vastzitten aan de stroombron. Met een duw in de knie kan een staand slachtoffer mogelijk loskomen van de bron.
Stelling 2: Als het niet mogelijk is om een slachtoffer los te maken van de stroombron moet een eerstehulpverlener direct professionele hulp inschakelen.

* 30. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Een slachtoffer met elektriciteitsletsel of dat door de bliksem is getroffen moet altijd naar professionele hulp.
Stelling 2: Een slachtoffer met elektriciteitsletsel of dat door de bliksem is getroffen heeft altijd een verminderd bewustzijn.

Winkelmand