Deel D – Kleine ongevallen

* 1. Een slachtoffer heeft een bloedneus en slikt bloedverdunners. Wat moet je als eerstehulpverlener doen?
* 2. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Een bloedneus kan spontaan ontstaan.
Stelling 2: Als een bloedneus is ontstaan als gevolg van een klap of botsing tegen het hoofd moet het slachtoffer naar de huisarts.

* 3. Wanneer hoef je niet naar de huisarts gaan als een slachtoffer is gestoken door een insect?
* 4. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Alle teken zijn besmet met de ziekte van Lyme.
Stelling 2: De eerste symptomen van de ziekte van Lyme zijn zichtbaar rond de plek van de beet. Het slachtoffer kan last hebben van griepachtige klachten.

* 5. Wat moet je doen als je door een kwal bent gebeten?
* 6. Wanneer moet je een slachtoffer altijd doorverwijzen naar professionele hulp?
* 7. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Het heeft geen zin om een kind met een uitgeslagen melktand door te verwijzen naar de tandarts.
Stelling 2: Als een tand is uitgeslagen moet je de tand vastpakken bij de kroon en in een bekertje water meenemen naar de tandarts.

* 8. Wat moet je als eerstehulpverlener doen als een slachtoffer is gebeten door een slang?
* 9. Welke stelling is juist?

Stelling 1: Bij contact met de brandhaartjes van de eikenprocessierups kan een hevig jeukende rode uitslag op de huid ontstaan. Deze gaat binnen twee weken vanzelf over.
Stelling 2: Van contact met de brandhaartjes van de eikenprocessierups kan irritatie van de luchtwegen ontstaan. Bij ernstige klachten is het verstandig om deskundige hulp te raadplegen.

Winkelmand